Richtingbezwaren op basis van humanisme

15 april 2019

Arrest Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en kantonvonnis inzake artikel 5.b Leerplichtwet

Hieronder volgt een bespreking van een tweetal strafzaken, die een beroep op artikel 5.b Lpw op basis van humanisme met elkaar gemeen hebben. Verder hebben zij met elkaar gemeen dat het OM, de ouders en de rechters consensus met elkaar bereikten over de bedenkingen tegen de richtingen van het onderwijs van de omliggende scholen: deze rechtvaardigden het beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht.

De eerste zaak betreft een nog niet eerder gepubliceerd arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 november 2016 met parketnummer 21-006903-15. Daarin behandelde dat hof het hoger beroep dat was ingesteld door de verdachte tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Arnhem van 20 november 2015 met parketnummer 05-820059-15. De tekst van het arrest luidt, voor zover relevant, als volgt.

Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. G. van den Brink, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2014 tot en met 10 december 2014, te [plaats], in de gemeente [gemeente], meermalen, althans eenmaal, (telkens) als degene die het gag uitoefende over de jongere [naam], geboren op [datum] 2009, althans zich (telkens) met de feitelijke verzorging van de jongere had belast, (telkens) niet - hoewel zij daarvoor verantwoordelijk kon worden geacht - heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, te zorgen dat die jongere als leerling van een school was ingeschreven; art 2 lid 1 Leerplichtwet 1969.

Vrijspraak
Met het openbaar ministerie en verdachte en haar raadsman is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte haar overwegende bedenkingen als bedoeld in artikel 5 onder b van de Leerplichtwet voldoende heeft geconcretiseerd, heeft de kantonrechter wel acht geslagen op de “verklaring bedenkingen tegen richting van de school” d.d. 14 november 2014, maar niet op de “verklaring van mijn concrete bezwaren tegen de richting van de scholen in mijn omgeving” d.d. 12 oktober 2015.

In deze laatste verklaring, die namens verdachte voorafgaand aan de behandeling in eerste aanleg aan het gerecht is toegestuurd en waarop door verdachte ter terechtzitting van het hof nog een nadere toelichting is gegeven, wordt genoegzaam duidelijk welke bedenkingen verdachte heeft en dat de aard van die bedenkingen de richting van het onderwijs betreft. Daardoor bestond, anders dan is ten laste gelegd, voor haar niet de verplichting om haar dochter als leerling van een school in te schrijven.

Daarom moet vrijspraak volgen.

BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De door de voormalige verdachte in deze zaak ingebrachte verklaring van haar richtingbezwaren d.d. 12 oktober 2015, waarop de advocaat-generaal en het gerechtshof hun erkenning van het 5.b-beroep basserden, is hieronder integraal weergegeven:

Verklaring van mijn concrete bezwaren tegen de richting van de scholen in mijn omgeving

Binnen een straal van 5 Km kunnen we de volgende richtingen vinden, ik heb hieronder (gegroepeerd ) mijn bezwaren tegen de verschillende richtingen aangegeven.

-Rooms-Katholiek:
-Protestants-Christelijk:
Betreft Christelijke religies gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament. De bijbel staat centraal, het geloof in één god.

Als humanist geloof ik in de kracht van mensen en beroep ik mij niet op een goddelijke openbaring of goddelijk ingrijpen. Ik denk dat alle levensbeschouwingen en religies een menselijke oorsprong hebben en daarmee open staan voor duiding en kritiek. Ik steun daarbij uitsluitend op menselijke bronnen van kennis, zin en moraal. Dit betekent dat ik waar het gaat om vragen naar zin, waarheid en moraal een beroep doe op menselijke tradities en op de kwaliteiten en betrokkenheid van mijn tijdgenoten.

Ik ben ervan overtuigd dat de mens tijdens de evolutie is ontstaan uit natuurlijke processen. Dit betekent dat mensen verbonden zijn met de natuurlijke wereld en dat ons leven net als ieder leven eindig is.

De eerbied voor de mens als bijzonder deel van het kosmisch geheel heeft voor mij een belangrijke rol, wij zijn als mensen schepper en deelhebber van onze geestelijke waarden. Geestelijke, sociale en cognitieve ontwikkeling vormen voor mij één geheel.

Voor het geloof in een God en een leven na de dood is er binnen mijn humanisme nadrukkelijk geen plaats. Ik ken geen gezag toe aan uit het verleden overgeleverde, zogenaamd door een god geïnspireerde geschriften ( de bijbel ).

-Islamitisch:
Betreft de islamitische religie gebaseerd op de Koran en het leven van Mohammed, zoals beschreven in de Hadith. De Koran staat centraal, met ook daarin het geloof in één god.

Mijn bezwaren tegen deze monotheïstische richting zijn identiek aan die tegen de protestantse en katholieke richtingen.

-Antroposofisch:
Een spirituele filosofie en occulte pseudowetenschap gebaseerd op de leer van Rudolf Steiner. Geloof in incarnaties en karma, een “ziel” en een “transcendentale werkelijkheid”. Ook de bijbel speelt een belangrijke rol.

Hiertegen heb ik dezelfde bezwaren als hierboven genoemd bij de protestantse en katholieke richtingen. Daarnaast heb ik bezwaar tegen het dogmatische karakter van antroposofie, het betreft een filosofie die steunt op het gedachtegoed van één enkel persoon. Dit is fundamenteel in strijd met mijn humanistische levensovertuiging waarbij een diversiteit aan mensen om ons heen als voorbeeld en inspiratie kunnen dienen, maar dit is altijd open, dynamisch en context-gebonden.

-Algemeen bijzonder:
-Openbaar:
Neutrale scholen dragen mijn humanistische levensovertuiging niet uit en bevorderen deze evenmin. Bij de ontwikkeling van mijn kind op het geestelijke, morele, emotionele, creatieve, sociale en cognitieve vlak – die voor mij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn - is het voor mij van het grootste belang dat de humanistische normen en waarden uitgedragen en voorgeleefd worden bij de dagelijkse begeleiding. De dynamische ontwikkeling van mijn levensovertuiging in kinderen kan alleen worden begrepen en overgedragen door en in dialoog met volwassenen die deze levensvisie uit ervaring kennen en volgen.

De wettelijke plicht van het Openbaar schoolonderwijs om alle levensovertuigingen te eerbiedigen staat een kritische beschouwing van religies en levensovertuigingen in de weg. Het is een van de kernwaarden van mijn levensovertuiging om steeds opnieuw elke levensovertuiging en de daarbij behorende standpunten kritisch te bevragen. Neutraal onderwijs heeft als eerste prioriteit om alle levensovertuigingen te eerbiedigen en stelt geen enkele religie of levensovertuiging boven de andere. Dat maakt dat onderwijs met een neutrale grondslag niet aan kritische bevraging van levensovertuigingen toekomt. Men berust op dit morele vlak in passiviteit. Daarmee gaat zulk onderwijs voorbij aan dit voor mij essentiële beginsel van mijn humanistische levensovertuiging.

Getekend te [plaats], 12-10-2015.

De andere zaak waarin het humanisme de grondslag gaf aan de richtingbezwaren van een ouder betreft een mondeling vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingplaats Enschede, d.d. 7 maart 2019 met parketnummer 08-261463-18.

De aanleiding van deze zaak werd gevormd door een proces-verbaal absoluut schoolverzuim. De verdachte had tijdig beroep gedaan op artikel 5.b Lpw en had tevoren al haar richtingbezwaren tegen scholen schriftelijk toegelicht. Deze waren gebaseerd op het seculier humanisme.

De overweging die leidde tot de opmaak van het proces-verbaal was dat er "vraagtekens bestaan of er daadwerkelijk geen enkele vorm van onderwijs te vinden zou zijn, aansluitend bij de levensovertuiging; "seculier humanisme" leek ons wellicht passend bij de missie van veel openbaar onderwijs."

Namens de verdachte werd daarop gewezen op de precedentwerking van het hierboven in deze bespreking opgenomen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ook wees de verdediging op de arresten van de Hoge Raad uit 17-4-2012 en (eerder in deze periodiek besproken) 12-12-2017, waarin deze erop wees "dat bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 ook kunnen bestaan tegen het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs."1

Ten slotte wees de verdediging erop dat het gegeven dat humanisme een levensovertuiging is waarop richtingbezwaren kunnen worden gebaseerd, impliciet is bevestigd doordat de regering humanisme in 2014 erkende als een schoolrichting, d.w.z. als een levensbeschouwelijke grondslag waarop een bijzondere school in een regio met voldoende aanhangers voor rijksbekostiging in aanmerking komt. Voormalig staatssecretaris Dekker van OCW volgde het daartoe strekkende advies van de Onderwijsraad, zo blijkt uit de nieuwsbrief van het ministerie van OCW van 3 juli 2014.2

Ter zitting vroeg de officier van justitie of de ouders de moeite hadden genomen om scholen te bezoeken om te toetsen of deze een mouw konden passen aan haar bezwaren.
Op die vraag volgde de uitleg dat de schoolbezwaren (volgens de Hoge Raad) gericht moeten zijn tegen de statutaire grondslag dat de lezer daarvan over de richting van het schoolonderwijs informeert, en niet, in elk geval niet slechts, tegen de onderwijspraktijk van scholen. Het zijn de schoolbesturen die (meest tijdens hun oprichting of statutenwijziging) de richting van het schoolonderwijs bepalen, en niet het onderwijzend personeel.
Het zou dan ook vanuit objectief oogpunt geen zin hebben om een beroep op artikel 5.b Lpw te toetsen aan de vraag of ouders scholen hebben bezocht om te onderzoeken of het onderwijs aldaar op hun eisen aansluit. Zo'n toetsing en daaraan verbonden verzoek tot aanpassing kan slechts de inrichting van schoolonderwijs betreffen, en bezwaren tegen de inrichting van het onderwijs leiden überhaupt niet tot vrijstelling.

Daarop rekwireerde de officier van justitie erkenning van de vrijstelling en vrijspraak. De kantonrechter volgde haar en de verdediging in dat oordeel.

Commentaar

Deze twee uitspraken geven voorbeelden aan de hand waarvan inzichtelijk kan worden waar een beroep op artikel 5 onder b Leerplichtwet op kan worden gebaseerd. Het daarbij (met toestemming van de voormalige verdachte) opgenomen overzicht van richtingbezwaren gebaseerd op humanisme spreekt voor zich.

Het is belangrijk om dit inzicht aan de hand van praktijkvoorbeelden op te kunnen bouwen, omdat de wetgever niet van meet af aan en in details heeft aangegeven wat bezwaren tegen de richtingen van scholen wel en niet zouden kunnen omvatten.

Daarbij komt dat de verwerpingen van beroepen op artikel 5.b Lpw die in de meeste gepubliceerde uitspraken worden aangetroffen, slechts laten zien wat voor bezwaren tegen schoolonderwijs niet de richting van het onderwijs betreffen, en niet wat voor soort schoolbezwaren dat wel doen.

Voortschrijdend inzicht hierin kan de toekomstige aantallen strafrechtelijke procedures over richtingbezwaren wellicht beperken, met name als het OM, rechters en ouders over zulk inzicht (alsnog) consensus weten te bereiken, zoals in deze twee zaken is gebeurd.

Ook laten deze zaken zien dat een beroep op artikel 5.b Lpw ook mogelijk is op basis van een uitgesproken niet-religieuze en niet op onzienlijke zaken gerichte levensbeschouwing, zoals het (seculier) humanisme. Deze bevestigen de zienswijze van de regering, die in 2014 op advies van de Onderwijsraad besloot om het humanisme te erkennen als schoolrichting, dit ondanks het ontbreken van zaken als devotie en eredienst, die tot dusverre deel uitmaakten van de verwachtingen die men van een te erkennen schoolrichting had.

Peter J. Van Zuidam