Wet College voor toetsen en examens [Tekst geldig vanaf 01-08-2014]

Opschrift

Wet College voor toetsen en examens

[Tekst geldig vanaf 01-08-2014]

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot externe verzelfstandiging van het dienstonderdeel de Centrale examencommissie vaststelling opgaven van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Staatsexamencommissie en de Staatsexamencommissie Nederlands als tweede taal door instelling van een zelfstandig bestuursorgaan en in verband daarmee de Wet op het onderwijstoezicht en de Wet op het voortgezet onderwijs te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 2

1.

Er is een College voor toetsen en examens.

2.

Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de centrale examens, bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES, artikel 7.4.11 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 7.4.13 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de daarop berustende bepalingen:

  1. het vaststellen van het aantal toetsen, de tijdsduur en de aard van de toetsen, overeenkomstig het examenprogramma;

  2. het vaststellen van het tijdstip van de toetsen, de wijze waarop en de vorm waarin de toetsen worden afgenomen;

  3. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven;

  4. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores;

  5. het geven van regels voor de omzetting van de scores in cijfers;

  6. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van syllabi, overeenkomstig het examenprogramma; en

  7. het geven van regels met betrekking tot de hulpmiddelen die gebruikt mogen worden bij het maken van de opgaven.

2a.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de rekentoets, bedoeld in de artikelen 29, vijfde lid, en 60, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en artikel 7.4.11, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de daarop berustende bepalingen.

3.

Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de staatsexamens, bedoeld in artikel 60 van de Wet op het voortgezet onderwijs en de daarop berustende bepalingen en de staatsexamens, bedoeld in artikel 116 van de Wet voortgezet onderwijs BES en de daarop berustende bepalingen:

  1. het bij regeling vaststellen van het examenreglement;

  2. het organiseren, afnemen en beoordelen;

  3. de benoeming van examenfunctionarissen; en

  4. het vaststellen van de uitslag en het uitreiken van diploma’s, certificaten of cijferlijsten.

4.

Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de college-examens van de staatsexamens, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en de op het vijfde lid van dat artikel berustende bepalingen en de college-examens van de staatsexamens, bedoeld in artikel 116, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES en de op het vijfde lid van dat artikel berustende bepalingen:

  1. het bij regeling vaststellen van het programma van toetsing en afsluiting;

  2. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven; en

  3. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de beoordelingsnormen.

5.

Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de staatsexamens, bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en de op het vijfde lid van dat artikel berustende bepalingen de staatsexamens, bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES en de op het vijfde lid van dat artikel berustende bepalingen:

  1. het bij regeling vaststellen van het examenprogramma;

  2. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven; en

  3. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de beoordelingsnormen.

6.

Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de centrale eindtoets, bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 18b, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, en de toets, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 18b, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra:

  1. het vaststellen van de verschillende niveaus van de toetsen;

  2. het vaststellen van het tijdstip en de tijdsduur van de toets, de wijze waarop en de vorm waarin de toets wordt afgenomen;

  3. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven van de toets en het bij regeling vaststellen van de toetswijzer voor de verschillende niveaus overeenkomstig de kerndoelen met betrekking tot Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, bedoeld in artikel 9 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 13 van de Wet op de expertisecentra;

  4. het tot stand brengen en vaststellen van de opgaven van de toets en het bij regeling vaststellen van de toetswijzer overeenkomstig de kerndoelen voor de kennisgebieden, genoemd in artikel 9, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 13, derde lid, onderdelen a, b en c, van de Wet op de expertisecentra;

  5. het tot stand brengen en bij regeling vaststellen van de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores;

  6. het geven van regels met betrekking tot de hulpmiddelen die gebruikt mogen worden bij het maken van de toets; en

  7. het opstellen van het leerlingrapport.

7.

Het college is verder nog belast met de volgende taken:

  1. het afnemen van examens onder bijzondere omstandigheden;

  2. het bij regeling vaststellen welke vakken in een tijdvak met geheimhouding worden afgenomen, waarbij de geheimhouding betrekking heeft op de opgaven, de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, vierde lid onderdelen b en c, en vijfde lid, onderdelen b en c; en

  3. het uitoefenen van andere door Onze Minister opgedragen taken.

8.

De regelingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen e en f, en vijfde lid, onderdeel a, treden slechts in werking na goedkeuring door Onze Minister. Onze Minister kan zijn goedkeuring onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

9.

In afwijking van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Bekendmakingswet kan de bekendmaking van een regeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, vierde lid, onderdeel c, of vijfde lid, onderdeel c, geschieden op een andere geschikte, al dan niet elektronische, wijze.

Artikel 4

 
 
 

Artikel 5

 
 
 

Artikel 6

 
 
 

Artikel 7

 
 
 

Artikel 8

 
 
 

Artikel 9*

 
 
 

Artikel 9

 
 
 

Artikel 10

 
 
 

Artikel 11

 
 
 

Artikel 12

 
 
 

Artikel 13

 
 
 

Artikel 14

 
 
 

Artikel 15

 
 
 

Slotformulier en ondertekening