Wet op de erkende onderwijsinstellingen [Tekst geldig vanaf 01-07-2017]

Inhoudsopgave

Opschrift

Wet op de erkende onderwijsinstellingen

[Tekst geldig vanaf 01-07-2017]

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een regeling voor erkenning voor het bijzonder onderwijs, dat niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

  1. "Onze Minister": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  2. "instelling": een instelling voor onderwijs die uitgaat van een natuurlijke persoon dan wel van een privaatrechtelijke rechtspersoon;

  3. "bevoegd gezag": de natuurlijke persoon van wie de instelling uitgaat dan wel het orgaan van de rechtspersoon dat bevoegd is terzake van de instelling rechtshandelingen te verrichten;

  4. "de inspectie": de inspectie bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht , voor zover belast met taken op het gebied van het onderwijs waarop deze wet van toepassing is;

  5. "schriftelijk onderwijs": onderwijs waarbij de communicatie tussen cursist en instelling zich geheel of in hoofdzaak voltrekt door geregelde uitwisseling van het gedrukte en geschreven woord al dan niet in combinatie met visuele, auditieve, audiovisuele of andere hulpmiddelen;

  6. "auteur": hij die ten behoeve van het schriftelijk onderwijs door het bevoegd gezag is belast met het samenstellen en bijhouden van de schriftelijke lessen dan wel de daarbij behorende hulpmiddelen, dan wel beide;

  7. "docent": hij die door het bevoegd gezag is belast met het geven van mondelinge lessen dan wel het corrigeren en van aanwijzingen voorzien van het door cursisten ingezonden werk dan wel beide;

  8. "cursus": een educatieve activiteit, waarbij door interactie tussen docent en cursist met een vooropgezet leerdoel een afgeronde hoeveelheid kennis, vaardigheid of attitudes wordt overgedragen. Indien een instelling ten behoeve van een wederpartij slechts een deel van de cursus verzorgt, wordt dit deel als cursus aangemerkt;

  9. "deelexamen": een voor de cursist op zich staand examen in een examenvak.

Artikel 2. Reikwijdte wet

1.

Deze wet is van toepassing op het onderwijs dat niet volledig en rechtstreeks uit ’s Rijks kas wordt bekostigd, gericht op het afleggen van een van de volgende examens:

  1. een staatsexamen als bedoeld in artikel 60 van de Wet op het voortgezet onderwijs ,

  2. een examen ter verkrijging van een diploma als bedoeld in artikel 30 van de Wet op het voortgezet onderwijs , en

  3. een examen als bedoeld in artikel 115 dan wel 116 van de Overgangswet W.V.O.

2.

Deze wet is niet van toepassing op het onderwijs, aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs , en op onderwijs verricht in het kader van contractactiviteiten in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs .

Titel II. Erkenning

 
 
 

Artikel 3. Voorwaarden erkenning

 
 
 

Artikel 4. Aanvraag tot erkenning; gegevens

 
 
 

Artikel 5. Beslissing op de aanvraag

 
 
 

Titel III. Voorwaarden voor de erkende instelling

 
 
 

Artikel 6. Vermelding van erkenning

 
 
 

Artikel 7. Bewijzen en verklaringen van bekwaamheid

 
 
 

Artikel 8. Verklaring omtrent het gedrag

 
 
 

Artikel 9. Kwaliteit van de cursus

 
 
 

Artikel 10. Werving cursisten

 
 
 

Artikel 11. Overeenkomst met cursist

 
 
 

Artikel 12. Examens

 
 
 

Artikel 13. Gecommitteerden

 
 
 

Artikel 14. Diploma's, certificaten, beoordelingslijsten en verklaringen

 
 
 

Artikel 15. Afwijkende voorschriften ten behoeve van bepaalde examens

 
 
 

Artikel 16. Waarborg belang onderwijs

 
 
 

Artikel 17. Informatieplicht bevoegd gezag

 
 
 

Artikel 18. Deskundigenonderzoek

 
 
 

Titel IV. Nadere voorwaarde voor handhaving van de erkenning; intrekking en verval van de erkenning

 
 
 

Artikel 19. Intrekking erkenning

 
 
 

Artikel 20. Verval van rechtswege van erkenning

 
 
 

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-1994]

 
 
 

Titel V. [Vervallen per 01-09-2002]

 
 
 

Artikel 22 [Vervallen per 01-09-2002]

 
 
 

Artikel 23 [Vervallen per 01-09-2002]

 
 
 

Artikel 24 [Vervallen per 01-09-2002]

 
 
 

Artikel 25. Nadere voorschriften toezicht

 
 
 

Titel VI. Bijzondere bepalingen

 
 
 

Artikel 26. Publikatie in de Nederlandse Staatscourant

 
 
 

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

 
 
 

Artikel 27. Overgangsbepaling inzake erkenning

 
 
 

Artikel 28. Intrekking Weiso

 
 
 

Artikel 29. Citeertitel

 
 
 

Artikel 30. Inwerkingtreding

 
 
 

Inhoudsopgave